Ingrid Schröder- Klant en armprothesedrager

Ik ga voor zoveel mogelijk normaal functioneren

Vroeger was ik veel enthousiaster en onbezorgder in het doen van dingen. Als iemand me vroeg voor vrijwilligerswerk, deed ik dat gewoon. Nu vraag ik me altijd eerst af of ik het wel kan en of mijn prothese dan niet teveel opvalt. Ik deed van alles, speelde keyboard en dwarsfluit, had een leuke baan, fijne collega's en woonde samen met Kees, mijn huidige man? We hadden een fijn leven.

Tot ik op een dag op mijn werk mijn hand stootte tegen een kastdeur. Heel onbenullig, maar het deed ongelofelijk veel pijn, meteen al. Via de huisarts en het ziekenhuis in Winschoten kwam ik uiteindelijk terecht in het UMC Groningen. Daar bleek dat het posttraumatische dystrofie was. De ergste vorm.

In de drieënhalf jaar daarna probeerde ik van alles, maar de pijn bleef en op een gegeven moment trok die naar mijn arm. Mijn hand werd zwart en ik kreeg open wondjes. Toen werd me verteld: "Als we nu niets doen, ben je straks je hele arm kwijt." Weinig keus dus. Krap een maand daarna is mijn hand geamputeerd. De pijn was weg, maar mijn hand ook. Hoe moest ik nu verder? Wat kon ik niet meer en wat nog wel?

"Het ging langzaam, maar ik heb de boel weer op de rit."

Ingrid Schröder - Klant en armprothesedrager

Ingrid Schröder - Klant en armprothesedrager

Twee maanden daarna kwam ik via de revalidatiearts bij OIM Orthopedie in Haren terecht voor mijn prothese. Het was voor mij allemaal erg emotioneel. Daarom heb ik de bezoekjes aan OIM Orthopedie altijd als belastend ervaren en dat is eigenlijk nog steeds zo. Mijn prothese functioneert prima, maar het is natuurlijk niet mijn eigen hand en er zijn beperkingen. Als mijn prothese bijvoorbeeld in reparatie is, word ik enorm geconfronteerd met mijn kwetsbaarheid. Gelukkig is een oudere prothese inmiddels aangepast. Die kan ik dan gebruiken als reservehand, maar dat is en blijft natuurlijk gek.

Ik laat mijn prothese niet graag aan iedereen zien. Dan moet je steeds uitleggen wat er is gebeurd. Ik vind het erg leuk om te winkelen en uit eten te gaan, maar alleen met vertrouwde mensen: mijn gezin, mijn ouders, vriendinnen. Ik weet dat sommige mensen daar veel makkelijker mee omgaan en daar ben ik wel eens jaloers op, maar ik zit zo niet in elkaar. 

Het ging langzaam, maar ik heb de boel weer op de rit, met steun van mijn ouders en mijn man. Onze zonen zijn inmiddels vijftien en dertien, allebei geboren na mijn amputatie en dus met de situatie opgegroeid. Ook zij helpen waar nodig. Dat vinden ze normaal. Ik kan niet alles, maar ik probeer wel zoveel mogelijk normaal te functioneren.

Lees ook het verhaal van Johan Horst, adviseur van Ingrid.